Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Talen
Google Translate
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 6,02 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 3,61 (6% inclusief btw)
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Dit geneesmiddel wordt uitsluitend aanbevolen voor de behandeling van opioïdverslaving.
Gebruik bij jongeren tot 18 jaar: wegens het gebrek aan gegevens bij adolescenten (leeftijd 15-17 jaar) moeten patiënten in deze leeftijdsgroep onder nauwlettender toezicht gehouden worden tijdens de behandeling. Het wordt eveneens aangeraden dat de behandeling wordt voorgeschreven door een arts die instaat voor een holistische behandeling van de opiaatafhankelijke patiënten. Verkeerd gebruik, misbruik en ongeoorloofd gebruik Buprenorfine kan op dezelfde manier legaal of illegaal verkeerd gebruikt of misbruikt worden als andere opiaten. Enkele risico's van verkeerd gebruik en misbruik omvatten overdosering, verspreiding van door bloed overdraagbare virale of gelokaliseerde en systemische infecties, ademhalingsdepressie en leverletsel. Misbruik van buprenorfine door anderen dan de bedoelde patiënt brengt een aanvullend risico met zich mee van nieuwe geneesmiddelafhankelijke personen die buprenorfine gebruiken als hoofddrug, en dit kan zich voordoen als het geneesmiddel direct door de bedoelde patiënt wordt doorgegeven voor illegaal gebruik of als het geneesmiddel niet beveiligd is tegen diefstal. In gevallen van intraveneus misbruik van geneesmiddelen werden toedieningsplaatsstoornissen, soms septisch (abces, cellulitis) en mogelijk ernstige acute hepatitis en andere acute infecties, zoals pneumonie en endocarditis gemeld. Suboptimale behandeling met buprenorfine kan geneesmiddelmisbruik door de patiënt veroorzaken, leidend tot overdosering of stopzetting van de behandeling. Een patiënt die ondergedoseerd is met buprenorfine kan blijven reageren op ongecontroleerde ontwenningssymptomen door zelfmedicatie met opiaten, alcohol of andere sedatieve hypnotica zoals benzodiazepinen. Om het risico op misbruik en ongeoorloofd gebruik te beperken moet de arts de geschikte voorzorgsmaatregelen treffen bij het voorschrijven en verstrekken van buprenorfine, zoals vermijden om meervoudige voorraadaanvullingen voor te schrijven in het begin van de behandeling, en door de patiënt met de aan zijn behoeften aangepaste klinische controles op te volgen. Slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen Opioïden kunnen slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen veroorzaken, waaronder centrale slaapapneu (CSA) en slaapgerelateerde hypoxemie. Het gebruik van opioïden verhoogt het risico op CSA op dosisafhankelijke wijze. Overweeg bij patiënten met CSA om de totale opioïdendosering te verlagen. Respiratoire depressie Enkele gevallen van overlijden door respiratoire depressie werden gerapporteerd, in het bijzonder wanneer buprenorfine gebruikt werd in combinatie met benzodiazepines (zie rubriek 4.5) of wanneer buprenorfine niet gebruikt werd volgens de voorschrijfinformatie. Sterfgevallen werden ook gemeld bij gelijktijdig gebruik van buprenorfine en andere depressiva zoals alcohol of andere opiaten. Als buprenorfine wordt toegediend aan bepaalde niet-opiaatafhankelijke personen, die de effecten van opiaten niet verdragen, kan een potentieel dodelijke ademhalingsdepressie optreden. Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van dit product bij patiënten met astma of ademhalingsinsufficiëntie (bv. chronisch obstructief longlijden, cor pulmonale, verminderde ademhalingsreserve, hypoxie, hypercapnie, bestaande ademhalingsdepressie of kyfoscoliose (kromming van de ruggengraat die leidt tot mogelijke kortademigheid). Patiënten met de hierboven genoemde fysieke en/of farmacologische risicofactoren moeten opgevolgd worden en een dosisverlaging kan overwogen worden. Buprenorfine kan ernstige, mogelijk dodelijke ademhalingsdepressie veroorzaken bij kinderen en niet�afhankelijke personen in geval van accidenteel of opzettelijk inslikken. Patiënten moet gewaarschuwd worden dat ze de blisterverpakking veilig bewaren, deze nooit van te voren openen, en buiten het bereik van kinderen en andere gezinsleden bewaren, en niet in het bijzijn van kinderen innemen. In geval van accidentele inname of vermoeden van inname moet onmiddellijk contact opgenomen worden met een spoeddienst. Depressie van het CZS Buprenorfine kan sufheid veroorzaken, vooral bij gebruik samen met alcohol of onderdrukkers van het centraal zenuwstelsel (zoals benzodiazepinen, kalmeermiddelen of hypnotica) (zie rubrieken 4.5 en 4.7). Risico van gelijktijdig gebruik van kalmeermiddelen zoals benzodiazepinen of aanverwante geneesmiddelen Gelijktijdig gebruik van buprenorfine en kalmeermiddelen zoals benzodiazepinen of aanverwante geneesmiddelen kan leiden totsedatie, respiratoire depressie, coma en overlijden. Vanwege deze risico's moet het gelijktijdig voorschrijven met deze kalmeermiddelen worden voorbehouden aan patiënten voor wie andere behandelopties niet mogelijk zijn. Als wordt besloten om buprenorfine gelijktijdig met kalmeermiddelen voor te schrijven, moet de laagste effectieve dosis kalmeermiddelen worden gebruikt en moet de behandelduur zo kort mogelijk zijn. De patiënten moeten nauwlettend worden gevolgd voor tekenen en symptomen van respiratoire depressie en sedatie. In dit opzicht wordt met klem aanbevolen om patiënten en hun zorgverleners te informeren dat ze op deze symptomen moeten letten (zie rubriek 4.5). Serotoninesyndroom Gelijktijdige toediening van Subutex en andere serotonerge middelen, zoals MAO-remmers, selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI's), serotonine-noradrenalineheropnameremmers (SNRI's) of tricyclische antidepressiva kan leiden tot het serotoninesyndroom, een mogelijk levensbedreigende aandoening (zie rubriek 4.5). Als gelijktijdige behandeling met andere serotonerge middelen klinisch gerechtvaardigd is, wordt een nauwlettende observatie van de patiënt aanbevolen, met name tijdens het instellen van de behandeling en bij dosisverhogingen. Symptomen van het serotoninesyndroom kunnen onder meer bestaan uit veranderingen in de geestelijke gesteldheid, instabiliteit van het autonoom zenuwstelsel, neuromusculaire afwijkingen en/of gastro-intestinale symptomen. Als het serotoninesyndroom wordt vermoed, moet een dosisverlaging of stopzetting van de therapie worden overwogen, afhankelijk van de ernst van de symptomen. Tolerantie en stoornis in het gebruik van opioïden (misbruik en afhankelijkheid Onderzoek bij dieren en de klinische ervaring hebben aangetoond dat buprenorfine, een partiële agonist van de µ opiaatreceptor, bij chronische toediening afhankelijkheid kan veroorzaken, maar op een lager niveau dan de volledige agonist (bv. morfine). Tolerantie, fysieke en psychologische afhankelijkheid en opioïdengebruiksstoornis (OUD) kunnen zich ontwikkelen bij herhaalde toediening van opioïden zoals buprenorfine. Misbruik of opzettelijk verkeerd gebruik van buprenorfine kan leiden tot een overdosis en/of de dood. Het risico op het ontwikkelen van OUD is verhoogd bij patiënten met een persoonlijke of familiale voorgeschiedenis (ouders of broers en zussen) van middelenmisbruiksstoornissen (inclusief alcoholgebruiksstoornis), bij huidige tabaksgebruikers of bij patiënten met een persoonlijke voorgeschiedenis van andere psychische stoornissen (bijv. ernstige depressie, angst en persoonlijkheidsstoornissen). Voordat de behandeling met buprenorfine wordt gestart en tijdens de behandeling, moeten de behandeldoelen en een beëindigingsplan met de patiënt worden overeengekomen (zie rubriek 4.2). Patiënten zullen moeten worden gecontroleerd op tekenen van afhankelijkheid (bijvoorbeeld te vroege verzoeken om herhaalrecepten). Dit omvat de beoordeling van gelijktijdig gebruikte opioïden en psychoactieve geneesmiddelen (zoals benzodiazepines). Voor patiënten met tekenen en symptomen van OUD moet overleg met een verslavingsspecialist worden overwogen. Het plots beëindigen van de behandeling kan leiden tot een ontwenningssyndroom dat in het begin vertraagd kan zijn. Hepatitis en leverproblemen Ernstige gevallen van acuut leverletsel werden gemeld in een context van misbruik, vooral bij intraveneuze toediening (zie rubriek 4.8). Deze leverletsels zijn voornamelijk waargenomen bij hoge doses en kunnen te wijten zijn aan een mitochondriale toxiciteit. In veel gevallen kan de aanwezigheid van een bestaande mitochondriale stoornis (genetische aandoeningen, leverenzymafwijkingen, infectie met hepatitis B- of hepatitis C-virus, alcoholmisbruik, anorexia, gelijktijdig gebruik van andere mogelijk hepatotoxische geneesmiddelen), en aanhoudend druggebruik een oorzakelijke of bijdragende rol spelen. Patiënten die positief zijn voor virale hepatitis, gelijktijdige geneesmiddelen gebruiken (zie rubriek 4.5) en/of een bestaande leverdisfunctie hebben, lopen een hoger risico op leverletsel, en met deze onderliggende factoren moet rekening gehouden worden vóór het voorschrijven van buprenorfine en tijdens de behandeling (zie rubriek 4.2). Wanneer een leverprobleem wordt vermoed, is verdere biologische en etiologische evaluatie vereist. Afhankelijk van de bevindingen, kan de inname van het geneesmiddel voorzichtig stopgezet worden om ontwenningssyndroom en een terugval naar illegaal druggebruik te voorkomen. Als de behandeling wordt voortgezet, moet de leverfunctie nauwlettend worden opgevolgd. Bevordering van opiaatontwenningssyndroom Wanneer de behandeling met buprenorfine wordt opgestart, moet de arts rekening houden met de werking als partiële agonist van buprenorfine en dat dit ontwenningsverschijnselen kan bevorderen bij opiaatafhankelijke patiënten, vooral als het minder dan 6 uur na het laatste gebruik van heroïne of andere kortwerkende opioïden, of minder dan 24 uur na de laatste dosis van methadon wordt toegediend (volgens de lange halfwaardetijd van methadon). Patiënten moeten nauwlettend gemonitord worden tijdens de overschakelingsperiode van methadon naar buprenorfine aangezien ontwenningssymptomen werden gemeld. Om het bevorderen van ontwenning te voorkomen moet inductie met buprenorfine ondernomen worden als er duidelijke objectieve tekenen van matige ontwenning zijn (zie rubriek 4.2). Ontwenningssymptomen kunnen ook verband houden met een suboptimale dosering. Allergische reacties Gevallen van acute en chronische overgevoeligheid voor buprenorfine werden beide gemeld in klinische proeven en na het in de handel brengen. De vaakst voorkomende tekenen en symptomen omvatten uitslag, netelroos, en jeuk. Gevallen van bronchospasme, angio-oedeem, en anafylactische shock werden gemeld. Een voorgeschiedenis van overgevoeligheid voor buprenorfine is een contra-indicatie voor buprenorfinegebruik. Leverinsufficiëntie De effecten van leverinsufficiëntie op de farmacokinetiek van buprenorfine werden geëvalueerd in een onderzoek met een eenmalige toediening na het in de handel brengen. Aangezien buprenorfine verregaand wordt gemetaboliseerd, bleek de plasmaconcentratie verhoogd voor buprenorfine bij patiënten met matige en ernstig leverfalen. De patiënten moeten gevolgd worden voor tekenen en symptomen van toxiciteit of overdosering veroorzaakt door te hoge buprenorfineconcentraties. Voorzichtigheid is geboden bij gebruik van Subutex tabletten voor sublinguaal gebruik bij patiënten met matige leverinsufficiëntie. Bij patiënten met ernstige leverinsufficiëntie is het gebruik van buprenorfine gecontra-indiceerd (zie rubrieken 4.3 en 5.2). Nierinsufficiëntie De eliminatie via de nieren kan verlengd zijn aangezien 30% van de toegediende dosis geëlimineerd wordt via de nieren. Metabolieten van buprenorfine stapelen zich op bij patiënten met nierfalen. Voorzichtigheid is geboden bij toediening aan patiënten met ernstig nierfalen (creatinineklaring < 30 ml/min) (zie rubrieken 4.2 en 5.2). Algemene waarschuwingen voor de opiaatklasse Opioïden kunnen orthostatische hypotensie veroorzaken. Opioïden kunnen de druk van het hersenvocht verhogen, en dit kan toevallen veroorzaken. Net als met andere opiaten is voorzichtigheid geboden bij patiënten die buprenorfine gebruiken en een hoofdletsel, intracraniale letsels en verhoogde craniale druk, of een voorgeschiedenis van toevallen hebben. Door opioïden geïnduceerde miose, veranderingen in het bewustzijnsniveau, of veranderingen in de pijnwaarneming als symptoom van de aandoening kunnen interfereren met de evaluatie van de patiënt of de diagnose of het klinische beloop van een gelijktijdige aandoening verhullen. Opioïden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met myxoedeem, hyperthyroïdie of adrenale corticale insufficiëntie (bv. ziekte van Addison). Opioïden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met hypotensie, prostaathypertrofie or urethrale stenose. Het is aangetoond dat opioïden de intracholedochale druk verhogen. Aldus moeten ze met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met een dysfunctie van de galwegen. Opioïden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij ouderen of verzwakte personen. Atleten moeten weten dat dit geneesmiddel een positieve reactie kan geven bij dopingcontrole. De volgende combinaties zijn niet aanbevolen met buprenorfine: niveau II analgetica, ethylmorfine en alcohol (zie rubriek 4.5). Hulpstoffen Dit geneesmiddel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactosemalabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken. Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.
Sterke opioïdafhankelijkheid
Welke stoffen zitten er in Subutex?
Elke 0,4 mg tablet voor sublinguaal gebruik bevat 0,4 mg buprenorfine in de vorm van buprenorfine hydrochloride.
Elke 2 mg tablet voor sublinguaal gebruik bevat 2 mg buprenorfine in de vorm van buprenorfine hydrochloride.
Elke 8 mg tablet voor sublinguaal gebruik bevat 8 mg buprenorfine in de vorm van buprenorfine hydrochloride.
Sommige combinaties met Subutex zijn niet aanbevolen:
Sommige geneesmiddelen kunnen de bijwerkingen van Subutex versterken en kunnen soms zeer ernstige reacties veroorzaken. Gebruik geen andere geneesmiddelen samen met Subutex zonder er eerst met uw arts over te spreken, vooral:
Benzodiazepines (tegen angst- of slaapstoornissen) zoals diazepam, temazepam, alprazolam.
Gelijktijdig gebruik van Subutex en kalmeermiddelen zoals benzodiazepinen of geneesmiddelen die daarmee verwant zijn, verhoogt het risico op sufheid, moeite met ademhalen (respiratoire depressie) en coma, en kan levensbedreigend zijn. Daarom mag gelijktijdig gebruik alleen worden overwogen wanneer andere behandelopties niet mogelijk zijn. Als uw arts echter Subutex samen met kalmeermiddelen voorschrijft, moet uw arts de dosis en de duur van de gelijktijdige behandeling beperken. Stel uw arts op de hoogte van alle kalmeermiddelen die u gebruikt en volg de aanbevelingen van uw arts voor de dosis nauwlettend op. Het kan nuttig zijn als u uw vrienden of gezinsleden op de hoogte stelt van de hierboven vermelde tekenen en symptomen. Neem contact op met uw arts als u dergelijke symptomen heeft.
Gabapentine of pregabaline voor de behandeling van epilepsie of pijn als gevolg van zenuwproblemen (neuropathische pijn).
Andere farmaca die slaperigheid veroorzaken en die gebruikt worden voor de behandeling van ziekten zoals angst, slapeloosheid, stuipen/toevallen, pijn. Deze soorten geneesmiddelen verminderen uw alertheid waardoor u meer moeite kunt hebben met het besturen van voertuigen en bedienen van machines. Ze kunnen ook het centraal zenuwstelsel onderdrukken, wat zeer ernstig is. Het gebruik van deze geneesmiddelen moet dan ook onder nauwlettend toezicht gebeuren. Hieronder volgt een lijst van voorbeelden van deze geneesmiddelen:
andere opiaten, sommige pijnstillers en hoestmiddelen. antidepressiva (tegen depressie) zoals isocarboxazide en valproaat sederende H1-receptorantagonisten (tegen allergische reacties) zoals difenhydramine en chloorfenamine. barbituraten (om te slapen of te kalmeren) zoals fenobarbital of chloraalhydraat
Antidepressiva zoals moclobemide, tranylcypromine, citalopram, escitalopram, fluoxetine, fluvoxamine, paroxetine, sertraline, duloxetine, venlafaxine, amitriptyline, doxepine of trimipramine. Deze geneesmiddelen kunnen een wisselwerking hebben met Subutex. U kunt symptomen hebben zoals onvrijwillige, ritmische samentrekkingen van de spieren (met inbegrip van de spieren die de oogbeweging reguleren), zenuwachtig, opgewonden of onrustig zijn, hallucinaties, coma, overmatig zweten, beven, overdreven sterke reflexen, verhoogde spierspanning, lichaamstemperatuur boven 38 °C. Neem contact op met uw arts als u dergelijke symptomen heeft.
Clonidine (tegen hoge bloeddruk)
Antiretrovirale middelen (tegen aids) zoals ritonavir, nelfinavir, indinavir
Sommige antimycotica (tegen schimmelinfecties) zoals ketoconazol, itraconazol, voriconazol of posaconazol en sommige antibiotica (macroliden).
Geneesmiddelen die worden gebruikt om allergieën, reisziekte of misselijkheid te behandelen (antihistaminica of anti-emetica)
Geneesmiddelen voor de behandeling van psychiatrische stoornissen (antipsychotica of neuroleptica)
Spierverslappers
Geneesmiddelen voor de behandeling van de ziekte van Parkinson.
Sommige geneesmiddelen kunnen de effecten van Subutex verzwakken en moeten voorzichtig gebruikt worden wanneer ze samen toegediend worden met Subutex. Dit zijn:
geneesmiddelen gebruikt tegen epilepsie (zoals carbamazepine, fenobarbital en fenytoïne), geneesmiddelen gebruikt tegen tuberculose (rifampicine).
Gelijktijdig gebruik van de hierboven genoemde geneesmiddelen met Subutex moet nauwlettend opgevolgd worden en kan in sommige gevallen een dosisaanpassing vereisen door uw arts.
Samenvatting van het veiligheidsprofiel De vaakst gemelde bijwerkingen tijdens een klinisch spilonderzoek hielden verband met ontwenningssymptomen (bv. slapeloosheid, hoofdpijn, misselijkheid, hyperhidrose). Samenvattende tabel van de bijwerkingen Tabel 1 somt de bijwerkingen op die gemeld werden met een hogere incidentie bij patiënten behandeld met buprenorfine (n=103) tijdens een klinisch spilonderzoek t.o.v. placebo (n=107). De frequentie van de hieronder genoemde mogelijke bijwerkingen wordt gedefinieerd naar de volgende conventie: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥1/100 tot <1/10), soms (≥ 1/1000 tot <1/100), zelden (≥ 1/10.000 tot <1/1000), zeer zelden (<1/10.000). Tabel 1 geeft ook de meest voorkomende bijwerkingen weer, gemeld door de wereldwijde veiligheidsdatabase van de vergunninghouder, die geïdentificeerd werden in alle andere klinische ervaringen en bewaking na het in de handel brengen. De frequentie van het voorkomen is onbekend omdat de bijwerkingen niet geïdentificeerd werden door het klinische spilonderzoek. Tabel 1: Bijwerkingen waargenomen in een klinisch registratieonderzoek en/of in de bewaking na het in de handel brengen, geklasseerd per orgaanstelsel Systeem/orgaanklassen Zeer vaak Vaak Soms Zelden Zeer zelden Niet bekend Infecties en parasitaire aandoeningen Infectie Faryngitis Psychische stoornissen Slapeloosheid Agitatie Angst Zenuwachtigheid Hallucinatie Zenuwstelselaandoeningen Hoofdpijn Migraine Paresthesie Slaperigheid Syncope Draaiduizeligheid Hyperkinesie Bloedvataandoeningen Orthostatische hypotensie Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen Dyspneu Ademhalingsdepressie1 Maagdarmstelselaandoeningen Misselijkheid Buikpijn Constipatie Braken Tandcariës Huid- en onderhuidaandoeningen Hyperhidrose Bot-, skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen Spierspasmen Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen Dysmenorroe Leukorroe Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen Drugsontwenningssyndroom Asthenie Neonataal drugsontwenningssyndroom2 Immuunsysteemaandoeningen Overgevoeligheidsreacties3 Leverstoornissen Stijging in transaminasen, hepatitis, geelzucht4 Beschrijving van bepaalde bijwerkingen Het volgende is een samenvatting van de meldingen van bijwerkingen na het in de handel brengen die beschouwd worden als ernstig of anderszins belangrijk: 1 Ademhalingsdepressie is voorgekomen. Overlijden als gevolg van ademhalingsdepressie werd gemeld, vooral wanneer buprenorfine werd gebruikt in combinatie met benzodiazepinen (zie rubriek 4.5), of wanneer buprenorfine niet werd gebruikt volgens de voorschrijfinformatie. Overlijden werd ook gemeld bij gelijktijdige toediening van buprenorfine en andere depressiva van het CZS zoals alcohol of andere opiaten (zie rubrieken 4.4 en 4.5). 2 Neonataal ontwenningssyndroom werd gemeld bij pasgeborenen van vrouwen die buprenorfine hadden gekregen tijdens de zwangerschap. Het syndroom kan zwakker en minder uitgesproken zijn dan dat door kort werkende volledige µ-opioïdagonisten. De aard van het syndroom kan variëren naar gelang van de geschiedenis van drugsgebruik van de moeder (zie rubriek 4.6). 3 De vaakst voorkomende tekenen en symptomen omvatten uitslag, netelroos, en jeuk. Gevallen van bronchospasme, ademhalingsdepressie, angio-oedeem en anafylactische shock werden gemeld. 4 Stijging in levertransaminasen en hepatitis met geelzucht die over het algemeen op gunstige wijze verdwenen, zijn opgetreden (zie rubriek 4.4). Geneesmiddelafhankelijkheid Herhaald gebruik van buprenorfine kan leiden tot geneesmiddelafhankelijkheid, zelfs bij therapeutische doses. Het risico op geneesmiddelafhankelijkheid kan variëren afhankelijk van de individuele risicofactoren van de patiënt, dosering en duur van behandeling met opiaten (zie rubriek 4.4).
- Overgevoeligheid voor buprenorfine of voor één van de in "Samenstelling" vermelde hulpstoffen.
- Kinderen jonger dan 15 jaar.
- Ernstige respiratoire insufficiëntie.
- Ernstige leverinsufficiëntie.
- Acuut alcoholisme of delirium tremens.
- Combinatie met methadon, opioïdanalgetica van niveau III, naltrexon, nalmefene)
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Zwangerschap Rekening houdende met beschikbare gegevens en het welzijn van zowel moeder als foetus, kan buprenorfine gebruikt worden tijdens de zwangerschap. Dagelijkse dosisaanpassingen kunnen echter nodig zijn om de efficiëntie van de behandeling te behouden. Chronisch gebruik van buprenorfine door de moeder op het einde van de zwangerschap kan, ongeacht de dosis, tot een ontwenningssyndroom leiden veroorzaken bij de pasgeborene (huilen op ijle toon, slecht zooggedrag, abnormale slaap, prikkelbaarheid, beven, hypertonie, myoclonus of stuipen). Dit syndroom treedt soms pas op enkele uren tot dagen na de geboorte. Gevallen van luchtwegstoornissen bij pasgeborenen werden ook gemeld. Daarom, als de moeder wordt behandeld tot het einde van de zwangerschap, moet postnatale monitoring overwogen worden tijdens de eerste dagen na geboorte. Borstvoeding Buprenorfine en zijn metaboliet worden in zeer kleine hoeveelheden in de moedermelk uitgescheiden. Die hoeveelheden zijn niet voldoende om een ontwenningssyndroom te voorkomen dat vertraagd kan optreden bij borstgevoede zuigelingen. Na evaluatie van de individuele risicofactoren, kan borstvoeding overwogen worden bij patiënten die buprenorfine toegediend krijgen. Vruchtbaarheid
In een studie bij muizen zijn, bij farmacologische dosissen, atrofie en tubulaire mineralisatie van de testis aangetoond bij de behandelde dieren. Hoewel geen bijwerkingen op de vruchtbaarheid werden geobserveerd in een studie met ratten, werd er toch een moeilijke baring vastgesteld (zie rubriek 5.3).
Volwassenen en kinderen > 15 j
Toedieningswijze
| CNK | 1640598 |
|---|---|
| Organisaties | Indivior |
| Breedte | 65 mm |
| Lengte | 126 mm |
| Diepte | 22 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 7 |
| Actieve ingrediënten | buprenorfine hydrochloride |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |